Skip to content

Singer Jr. in museum Singer Laren

Lange tijd was er in de kunstgeschiedenis eigenlijk geen plaats voor William Henry Singer Jr. Hoewel een gewaardeerd landschapsschilder in zijn eigen tijd sloot hij ‘net te laat’ aan op het impressionisme en innoveerde hij te weinig om een plek op te kunnen eisen tussen de groten der aarde. Nu oude kunsthistorische taboes steeds meer doorbroken worden is ook Singer eens goed onder de loep gelegd. Recent onderzoek naar zijn oeuvre heeft geleid tot een overzichtstentoonstelling in museum Singer Laren.
Wie de expositie van Singers oeuvre gaat bekijken komt eigenlijk bij de schilder thuis. Het oorspronkelijk uit Pittsburgh afkomstige echtpaar Singer liet namelijk in Laren een villa bouwen, die nu onderdeel is van het museumgebouw. In navolging van enkele schilders van de Haagse School had Singer besloten, na een verblijf in Parijs, in 1902 naar Laren te trekken. Onder Amerikaanse kunstenaars was alles wat met Holland te maken had in die jaren behoorlijk populair, als land van niet alleen Rembrandt en Vermeer, maar ook van latere landschapsschilders als Van Ruisdael. Het was vooral het plein air schilderen dat Singer in die periode interesseerde, in het ingetogen, donkere kleurenpalet van de Haagse School.

Hoewel William en Anna Singer nog regelmatig naar ‘t Gooi zouden terugkeren, raakte William écht verknocht aan landschap van Noorwegen. Meteen bij zijn eerste bezoek wist hij het: ‘Anna, I have found my country’. De woeste rivieren en ongerepte bergen zouden hem bijna twintig jaar aan Noorse bodem houden. Echte Noren zijn de Singers ondanks dat lange verblijf niet geworden; ze hebben nooit de taal geleerd en hoewel Singer regelmatig exposeerde toonde hij zijn werk slechts eenmaal in Noorwegen. Singer zocht in er juist de eenzaamheid, om onbeïnvloed door de mening van anderen een eigen stijl te kunnen ontwikkelen. ‘I had to get away from the world, and work out my salvation – alone and in my own way. I had to go apart if I would reach my instinctive longing to find my own manner of interpretation and develop my own personality.’

Artistieke invloed liet hij gedurende zijn leven slechts enkele malen toe. Van belang was vooral een bezoek in 1907 aan de kunstenaarskolonie in Old Lyme, aan de oostkust van de Verenigde Staten, waar Singer het Amerikaans impressionisme omarmde. Zijn verftoets werd korter, vluchtiger, en zijn kleurgebruik was voorgoed bevrijd van de beperkingen van de natuur. Het bestuderen van het landschap bleef altijd zijn uitgangspunt, maar Singer probeerde steeds uit de vele details die de we waarnemen een zekere essentie te filteren. Door het landschap te versimpelen en bepaalde aspecten licht te overdrijven zouden zijn schilderijen de kern van de werkelijkheid kunnen reflecteren, de ‘ziel’ van het landschap.

Volgens Singer was een berg dan ook niet zomaar een berg; in het landschap openbaarde zich het goddelijke. Deze transcendentale benadering van de natuur was heel gangbaar in het midden van de negentiende eeuw en heeft Singer gemeen met bekende, wat vroegere Amerikaanse collega’s als Frederick Edwin Church en Albert Bierstadt. Zij streefden naar een ideale, spirituele staat van zijn die het fysieke en empirische overstijgt. Die verheven staat kon volgens deze beweging alleen bereikt worden door middel van het volgen van persoonlijke intuïtie, niet door de gebruikelijke religieuze rituelen. De natuur was hun kathedraal.

De fysieke onderwerpen die Singer steeds in zijn werk liet terugkeren zijn bergen, valleien, watervallen en rivieren. Rond de Nordfjord, in het westen van Noorwegen, maakte hij de meeste schilderijen. Met name ook in de winter, als de vele details van het dal bedekt waren onder een dikke laag sneeuw – een natuurlijke vereenvoudiging van het landschap maar met een grote variatie in soorten wit. ‘My deep love of solitude and silence, of mountains, rivers and nature undefiled generally, has given Norway her great appeal, and this especially in winter when all is purity, mystery and peace.’ Singer gaf zijn schilderijen al even poëtische titels mee als Winter droom, Eeuwig ijs en Winterse vrede. Een tikje ontnuchterend wel is het feit dat Singer veel inspiratie voor de titels haalde uit een handboek voor schilders, genaamd Picture Titles for Painters and Photographers. Chosen from the Literature of Great Britain and America (1904).

Wie het landschap van Noorwegen heeft gezien begrijpt pas de grote gevoelens die Singer in zijn doeken wilde overbrengen. Hij probeerde deze direct uit te drukken, de schoonheid te sublimeren in pastel of in verfschetsen die hij later in zijn atelier uitwerkte. Singer werkte gedisciplineerd, van ‘s morgens vroeg tot ver in de avond, liefst in stille afzondering. Eenzaamheid was voor hem niet alleen een manier van werken, maar ook een bewust onderwerp. Dat blijkt onder andere uit de bibliotheek van de schilder, die in zijn atelier in Olden bij de Nordfjord nog te bekijken is. Het interieur van het huis van de Singers en van het atelier van William is namelijk nog vrijwel intact. Zo is te zien dat hij de volgende passage onderstreepte in Adventures in Solitude uit 1931 van David Grayson : ‘Solitude is not the exceptional state of man: it is normal. This book deals with a fortunate […] solitude, and the effort of man to make or find his own felicity.’ Juist in het verkiezen van de eenzaamheid, aldus Grayson, valt veel te leren. Ook in Singers schilderijen zelf is overigens zelden een mens of dier terug te vinden.

In het oeuvre van de Amerikaanse schrijver en natuurfilosoof Henry David Thoreau (1817-1862) moet Singers zich eveneens sterk herkend hebben, met name in het boek Walden, or Life in the Woods uit 1854. Daarin doet Thoreau verslag van zijn jaren in een zelfgebouwde, afgelegen boshut. Thoreau streefde naar een eenvoudig bestaan, gezuiverd van overdreven consumptie, ambities en behoeftes. Een eenvoudige levensstijl zou de mens van menige zorg verlossen en meer in balans brengen. Ook Singer liet in Noorwegen hutten bouwen om in afzondering te kunnen verblijven. De familie Singer had in de staalindustrie een fortuin verworven, maar William vond in het kunstenaarschap een manier om het zakenleven te ontvluchten. Als erfgenaam was hij in staat zich zorgeloos te richten op wat er volgens hem echt toe deed.

Williams doeken zijn, ondanks de indrukwekkende ervaringen die er aan vooraf moeten zijn gegaan, wars van dramatiek. Veel van zijn landschappen komen eerder decoratief dan meeslepend over. Zijn ingetogen, beheerste stijl in vrij dunne verflagen ontlokte aan kunstcriticus Albert Plasschaert in De Groene Amsterdammer het volgende commentaar: ‘Ge zoudt kunnen zeggen, dat het werken zijn voor een salon, maar ook, en dat is essentieeler, dat de schilder de natuur aangezien heeft met een leege beleefdheid.’ Jos de Gruyter van Het Vaderland dacht er anders over: ‘Samenvattend lijkt mij Singer geen sterk talent, maar wel een fijne gemoedelijke, voor het dichterlijke niet ongevoelige geest. Zijn werk vraagt een aandachtig zien, omdat de subtiele eigenschappen ervan meer geraden moeten worden, dan dat zijn duidelijk openbaar zijn.’

In Nederland werd Singers werk onder andere getoond bij kunsthandel Buffa in Amsterdam. De Singers waren bevriend met eigenaar Joop Siedenburg, wat onder andere blijkt uit de humoristische collages die hij voor ze maakte. De tekst op een van die collages, ‘Do not go and see Norway – buy Billy Singers pictures at Buffa – more poetical than nature!’, lijkt zowel een treffende samenvatting van Williams artistieke levensdoel als een relativering ervan. Ook tijdens hun verblijf in het afgelegen Noorwegen onderhield met name Anna Singer een levendig sociaal netwerk. Ze reisden regelmatig naar Nederland en nu en dan ondernam iemand de reis om hen in Olden op te komen zoeken. Enkele bevriende kunstenaars woonden zelfs gedurende langere tijd bij de Singers en hielden Anna gezelschap tijdens de lange werktijden van William.

Anna’s passie lag bij het ontwerpen en inrichten van hun huizen, zoals de villa in Laren en Dalheimen in Olden. Ze was dan ook een fervent verzamelaar van kunstobjecten. Onderdeel van de collectie is onder andere De Denker van Rodin, dat in het nieuws verscheen door de roof in de beeldentuin in januari 2007 en dat ernstig toegetakeld werd teruggevonden. De Singers kochten in totaal dertien beelden van Rodin, waarvan alleen de genoemde kunsthandel Buffa in Nederland beelden mocht verkopen. Dat de verzameling geen Franse impressionisten bevatte is opvallend maar begrijpelijk; die zouden het werk van Singer teveel kunnen beïnvloeden. Andere grote afwezige is abstracte kunst. Hierover waren de Singers heel duidelijk: het deugt niet. In 1929 schreef William aan zijn vrouw dat hij vond dat de moderne, ofwel advanced painters zo ‘vooruit’ liepen dat ze alle lessen van de kunstgeschiedenis achter zit gelaten hadden. Op haar beurt schreef Anna in haar dagboek: ‘An abstract style is always bad. Only concrete examples can give style’.

De collectie van de Singers bevat verder middeleeuwse sculpturen, Italiaanse meesters, werk van andere Amerikaans impressionisten, tapijten, antiek en Aziatisch keramiek en is uitgebreid beschreven in het boek Loving Art uit 2006. Het onderzoek dat de afgelopen twee jaar gedaan is naar het werk van Singer is dan ook te zien als een vervolg op het onderzoek naar de privé-verzameling. De collectie van Singer Laren is naar aanleiding van de hernieuwde aandacht voor de schilder uitgebreid met een schenking van de Amerikaanse verzamelaar Joseph Szymanski. Aan de reeds 250 werken van Singer zijn nu nog eens achttien schilderijen toegevoegd, waaronder enkele die worden gerekend tot zijn topstukken. Zo krijgt Singer misschien toch zijn plekje in de kunstgeschiedenis.

‘American Impressionist William H. Singer Jr. 1868-1943’, 16 september t/m 7 december, Singer Laren, Oude Drift 1, Laren, di t/m zo 11-17 uur, www.singerlaren.nl

‘It is to Olden that I belong.’ Amerikaans impressionist William H. Singer Jr. in museum Singer Laren, Kunstbeeld nr.10, 2008

Categories: artikelen.